Recht op een eerlijk proces, deel 2

Published by Anne-Wil Duthler on

Twee weken geleden blikten we in onze blog met dezelfde titel terug op de kort geding zitting in de zaak tegen Quote. We bespraken de dynamiek van de aanwezigheid van pers tijdens de openbare zitting, en de consequenties daarvan voor het recht op een eerlijk proces. Zonder daarover voor de goede orde een oordeel te willen geven. De uitkomsten van het kort geding hebben tot een onverwachte politieke ontknoping geleid. Wij vervolgen onze observaties in deze blog.

De uitvoerende macht die de wetgevende macht aanstuurt, is staatsrechtelijk een anomalie en ook verder in strijd met alle checks and balances van onze democratische rechtsstaat.

De minister-president en de voorzitter van een Eerste Kamerfractie die een finaal politiek oordeel koppelen aan een voorlopig juridisch oordeel, vanwege ontstane beeldvorming, treden de kernwaarden van onze democratische rechtsstaat met voeten.

Karakter kort geding

Een kort gedingprocedure is een spoedprocedure, waarin aan een rechter een voorlopige voorziening wordt gevraagd. De rechter kijkt niet naar feiten en neemt geen definitieve beslissing. Daar leent het karakter van een kort geding zich niet voor. Het rechterlijk oordeel is voorlopig van aard. Het heeft geen gezag van gewijsde. Aan de voorlopige oordelen zijn partijen in een bodemprocedure niet gebonden.

In het geval van de Quotepublicatie heeft de rechter over de feiten zelf geen oordeel gegeven. De rechter heeft slechts geoordeeld dat de journalisten zich mochten baseren op de feiten zoals zij die kenden.

Wat schetst onze verbazing?

Laten we eerst eens kijken naar het fragment waarin de minister-president reageert tijdens de persconferentie op de uitkomsten van het kort geding, waarin de rechter de vordering om een voorlopige voorziening niet heeft toegewezen.

Zie het volledige fragment: https://www.npostart.nl/nieuwsuur/26-04-2019/VPWON_1297085

Wat valt op?

  1. De minister-president miskent het karakter van een kort geding en velt op basis van onjuiste feiten een oordeel.
  2. De minister-president als voorzitter van de uitvoerende macht, stuurt de wetgevende macht aan.

De minister-president zegt hier letterlijk dat er inmiddels een uitspraak is van de rechter, waaruit blijkt dat de uitspraken van de integriteitscommissie niet te hoeven worden afgewacht. ’Omdat de rechter zegt ik constateer nu een aantal feiten, waarvan de VVD heeft moeten vaststellen dat ze niet in overeenstemming zijn met onze opvattingen over wanneer iemand lid kan zijn van de senaat.’

Het punt is nu – en daarom is de redenering van de minister-president zo krom – dat de rechter helemaal geen feiten constateert. De rechter doet in het vonnis juist geen uitspraak over de feiten zelf. De rechter zegt alleen dat de journalisten hun artikel mochten schrijven op grond van feiten, zoals zíj die kenden. Dat is iets anders dan dat de rechter een uitspraak heeft gedaan over de vraag of de feiten zich ook werkelijk hebben voorgedaan.

De minister-president geeft verder aan dat de fractievoorzitter aanleiding heeft gezien in de uitspraak van de rechter om haar te vragen de fractie te verlaten. Conclusie hier is dat de feiten – waarover de rechter nu juist géén uitspraak heeft gedaan – bepalend zijn geweest voor de fractievoorzitter het ‘uitzettingsbesluit’ te nemen.  

Beeldvorming

Laten we vervolgens eens kijken naar het fragment waarin de fractievoorzitter een toelichting geeft op het besluit van de top van de VVD om Duthler (Anne-Wil) uit de fractie te zetten.

Zie het volledige fragment: https://nos.nl/nieuwsuur/video/2282229-duthler-ook-ik-heb-recht-op-eerlijk-proces.html

De bijzonderheid hier is dat beeldvorming doorslaggevend is voor het uit de fractie zetten van een senator.

Mevrouw Jorritsma zegt hier letterlijk: ‘Het beeld is ernstiger geworden. Dat kun je als fractie niet hebben.’ ‘Ieder mens kan in hoger beroep gaan. Daartoe heeft ze ook het volste recht. Het kan alleen niet zo zijn dat je dat als Eerste Kamerlid nog een keer doet. Dat duurt weer een hele tijd. En het beeld blijft ondertussen maar bestaan, wat een beschadigend beeld is. Niet alleen voor de fractie, niet alleen voor de Kamer, maar ook voor de VVD. Het is gewoon niet goed voor de politiek als dit soort beelden blijven bestaan. Ja, wij kunnen niet anders dan die conclusie trekken.’

De minister-president zegt dus dat de feiten doorslaggevend zijn om Duthler te verzoeken de fractie te verlaten. De fractievoorzitter zegt dat de beeldvorming bepalend is geweest. De uitspraak van de minister-president is gek omdat de rechter nu juist geen uitspraak heeft gedaan over de feiten. De uitspraak van de fractievoorzitter is gek omdat hier beeld boven feiten gaat. Bovendien gaat het om beeld dat zij zelf, met de partijtop, heeft gecreëerd door hun reactie op het Quote-artikel.  

Uitvoerende macht stuurt wetgevende macht aan?

Het verzoek aan Duthler (Anne-Wil) om op te stappen heeft overigens eerst de fractievoorzitter gedaan, en daarna heeft zij dat ook namens het hoofdbestuur en kernteam gedaan. Voor de goede orde, lid van het kernteam zijn de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer, de partijvoorzitter én de minister-president. Kan de minister-president (Mark Rutte) als lid van het kernteam zo’n verzoek doen aan een lid van de wetgevende macht? De minister-president is immers primus inter pares van de uitvoerende macht. De vraag stellen is hem beantwoorden.  

Samenvattend

De media heeft zich laten gebruiken door een leverancier die zo een oninbare vordering hoopt te incasseren. Een advocaat werkt daaraan mee. De minister-president doet een verzoek via de fractievoorzitter aan een lid van het parlement om op te stappen, en maakt daarmee een staatsrechtelijke blunder. Hij gáát namelijk niet over de Eerste Kamer, laat staat dat hij iets te zeggen heeft over leden van de Eerste Kamer. De fractievoorzitter velt een oordeel op basis van beeldvorming en niet op basis van feiten, waarover een rechter nog geen uitspraak over heeft gedaan. En executeert dit oordeel meteen door Duthler (Anne-Wil) uit de fractie te zetten.

Waar is de rechtsstaat? Hoe zit het met het recht op een eerlijk proces? Deze zijn op dit moment ver te zoeken. Waar we het nu mee moeten doen, is dat op basis van een voorlopig juridisch oordeel een finaal politiek oordeel is geveld. Met alle consequenties van dien. Wij zijn er stil van, maar zullen niet stil blijven zitten.

Duthler & Duthler, 29 april 2019