Recht op een eerlijk proces, deel 1

Published by Anne-Wil Duthler on

Artikel 6 van het Europees verdrag bescherming rechten van de mens (EVRM) garandeert het recht op een eerlijk proces. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.   

Artikel 121 van de Nederlandse Grondwet bepaalt dat terechtzittingen in het openbaar plaatsvinden. Ook de uitspraak geschiedt in het openbaar. Dit is nader uitgewerkt in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zo is in artikel 27 Rv bepaalt dat de zitting in principe openbaar is. Dat geldt volgens artikel 29 ook voor de rechterlijke beslissing zelf.

Artikel 19 Rv verplicht de rechter verder tot het toepassen van de beginselen van hoor en wederhoor.

Dit zijn belangrijke basisprincipes van het Nederlandse rechtsstelsel, en daarmee ook van de Nederlandse rechtsstaat. Het feit dat de zitting openbaar is, maakt het mogelijk dat ook het publiek een zitting kan bijwonen en de pers verslag kan doen. Dat laatste is een groot goed, dat verantwoordelijkheden met zich meebrengt. De Code voor Journalistiek vult de verantwoordelijkheid in de preambule nader in met de waarden ‘waarheidsgetrouw, onafhankelijk, fair en met open vizier’. Verder noemt zij noemt het zoeken naar hoor en wederhoor een belangrijk journalistiek basisprincipe.    

De rechtspraak en een pluriforme pers zijn wezenlijk voor het goed functioneren van een democratische rechtsstaat. Het goed functioneren van de rechtspraak en de pers, die niet in elkaars vaarwater laat staan op elkaars stoel gaan zitten, is dan ook van groot belang. Soms komen de rechtspraak en de pers echter akelig dichtbij elkaar en soms gaat de pers zelfs op de stoel van de rechter zitten. Het gebruik van social media vergroot deze kans, zoals blijkt uit het volgende.

Tijdens een kort gedingzitting gehouden op 11 april 2019 verzocht Anne-Wil Duthler via de rechter een nieuwsmedium te veroordelen tot rectificatie van een artikel, waarin zij beschuldigd werd van schimmige praktijken, crimineel handelen of wat daar in de buurt kwam en oneerlijk zakendoen. Daarmee was dit nieuwsmedium voor haar een grens overgegaan.

Tijdens de zitting werd er live verslag gedaan en volop getwitterd. Dat mag en dat kan. Duthler realiseerde zich vooraf dat procederen tegen één nieuwsplatform, procederen tegen heel veel journalisten zou inhouden. Zij realiseerde zich daarom dat het live verslag tijdens de zitting op een bepaalde manier gekleurd zou zijn. Dat had effect op  het wikken en wegen van de woorden die zij wel of niet wilde gebruiken. Alles wat ze zou zeggen, zou namelijk onmiddellijk in de krant of op het Internet staan. En daarmee zou er weer een oordeel over het gezegde worden geveld, nog goed en wel de rechter zich daarover had kunnen uitlaten. Dat hoort echter bij het spel, en daar moet je maar tegen kunnen.

De vraag is wel hoe dan om te gaan met het feit dat een rechter haar oordeel baseert op het gezegde ter zitting en het complete dossier mee zal laten wegen in haar uiteindelijke oordeel, en zij tijdens de zitting – uiteraard – nog geen afweging heeft kunnen maken.

Het belang van een zorgvuldige afweging door een rechter verliest het in zo’n geval altijd van het belang van de snelheid van een journalist. Dat Duthler daar last van heeft is één. Wat dit echter betekent voor het functioneren van de democratische rechtsstaat, daarover is zij nog niet uit. Ze is zich er terdege van bewust dat het ongewoon is om tegen de pers te procederen en voor eigen rechten op te komen. Dat je begint met een 1-0 achterstand was haar van meet af aan duidelijk. Het achterwege laten daarvan zou echter betekenen dat de grenzen van de journalistieke vrijheid niet getoetst zouden worden. Dat is een zeer onwenselijke situatie. Hoe het tij kan worden gekeerd, is haar nog niet duidelijk. Zij maakt zich zorgen over de vraag hoe het verder moet met de democratische rechtsstaat als niet rechters maar de journalistieke vrijheid ongetoetst zijn vrije loop kan gaan.

Tot slot – in het kader van hoor en wederhoor – nog een anekdote. Om 10:04 uur, nog voordat de zitting was begonnen, publiceerde het betreffende nieuwsmedium al een artikel over een zogenaamd nieuw feit dat tijdens de zitting openbaar zou worden gemaakt. Duthler was in het geheel niet gevraagd naar haar visie op dit zogenaamde nieuwe feit. Toen zij na afloop van de zitting een kopje koffie aan het drinken was op een terras in de buurt van de rechtbank, liep de advocaat van de wederpartij toevallig al telefonerend langs. Toen hij de rechtzoekende in het vizier kreeg, dook hij onmiddellijk een vloerenwinkel naast het terras in. Nog geen twee minuten later  stapte een journalist van het betreffende medium op haar af en vroeg haar of zij nog iets wilde zeggen over het nieuwe feit. Tsja, dat was duidelijk voor de bühne. Om achteraf het gebrek aan hoor en wederhoor te repareren. Het nieuws was echter al gemaakt, en de rechtzoekende opnieuw veroordeeld. 

Duthler en Duthler, 15 april 2019